Long read - Aprox. 27 minutes

Rechtsgeldigheid en doorwerking van afspraken over aandelenoverdracht in een persoonsgebonden BV

Rechtsgeldigheid en doorwerking van afspraken over aandelenoverdracht in een persoonsgebonden BV
Written by
Tom van Duuren

1. Inleiding

Het doorwerkingsleerstuk heeft de afgelopen jaren een sterke ontwikkeling doorgemaakt en contractuele vormgeving van de vennootschappelijke verhoudingen van aandeelhouders is inmiddels gemeengoed geworden. In een eerder WPNR nummer heeft Nowak de doorwerking van buitenstatutaire governance-afspraken besproken. Ik zal mij in dit artikel met name richten op afspraken die de wisseling van aandeelhouders reguleren.

In het nieuwe BV-recht staan de partijautonomie en inrichtingsvrijheid voorop. Het startschot voor de wetgevingsoperatie die uiteindelijk heeft geleid tot de invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht op 1 oktober 2012 werd al in 2004 gegeven door het rapport van de Expertgroep onder voorzitterschap van prof. mr H.J. de Kluiver. Bij het denken over de vormgeving van het nieuwe BV-recht heeft de expertgroep tevens als uitgangspunt genomen dat de BV een toegankelijke rechtsvorm moet zijn voor het bedrijfsleven. 1Source 1: Eindrapport expertgroep van 6 mei 2004 opgenomen in: F.J.P. van den Ingh en R.G.J. Nowak, Vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht (deel I), De pre-parlementaire geschiedenis, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 85 (2006), p. 177-178. De herwonnen2Source 2: Ik spreek over ‘herwonnen vrijheid’ omdat zowel de NV als de BV tot aan de zestiger jaren van de vorige eeuw werden beschouwd als gekwalificeerde maatschappen die onderworpen waren aan de algemene regels van het contractenrecht. Het Forumbank-arrest (HR 21 januari 1955, NJ 1959,43) wordt in de doctrine bestempeld als vrijheid in het vennootschapsrecht heeft in het geflexibiliseerde BV-recht duidelijke contouren gekregen door de verruimde mogelijkheden om verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard van aandeelhouders in de statuten te creëren. Het nieuwe artikel 2:192 BW geeft een expliciete wettelijk basis aan het opnemen van verbintenissen in de statuten. Voor mijn onderwerp zijn het meest interessant de verbintenissen (i) tussen aandeelhouders onderling (artikel 2:192 lid 1 sub a BW) en (ii) in verband met de gehoudenheid om aandelen aan te bieden en over te dragen (artikel 2:192 lid 1 sub c BW). Deze wettelijke regeling is een uiting van de tendens tot contractualisering van het vennootschapsrecht en zet als het ware de sluizen tussen vennootschapsrecht en vermogensrecht verder open hetgeen mijns inziens de functionaliteit van het vennootschapsrecht ten goede komt. Het baant ook de weg om de verbintenisrechtelijke aspecten die verband houden met vennootschapsrechtelijke verhoudingen te benaderen vanuit de verbintenisrechtelijke systematiek.  

In dit artikel staat de vraag centraal in hoeverre het aandeelhouders vrijstaat om in buitenstatutaire documenten af te wijken van statutaire regelingen met betrekking tot aandeelhouderswisselingen waarmee zij in een eerder stadium hadden ingestemd. Werken deze variaties op de oorspronkelijke statutaire bepalingen door in de vennootschappelijke sfeer, dat wil zeggen zijn ze rechtsgeldig en afdwingbaar ? Het uitgangspunt bij de bespreking van dit onderwerp is de persoonsgebonden BV.3Source 3: Vgl. T.P. van Duuren, De joint venture-vennootschap, een persoonsgebonden kapitaalvennootschap (diss. Tilburg), Serie Center for Company Law (2002), p. 1-22. Het inwendige bestel van deze vennootschap wordt in praktijk tot op grote hoogte bepaald door de regelingen in statuten, overeenkomsten, reglementen en andere documenten die de aandeelhouders in het kader van hun samenwerking hebben uitonderhandeld en waaraan zij ook allen zijn gebonden. De aandeelhouders hebben derhalve een actieve en bepalende betrokkenheid bij de totstandkoming van hun samenwerkingsverband (‘de onderlinge regeling tot samenwerking’).4Source 4: Pitlo-Raaijmakers (2006) bespreekt p.225-238 beeldend de in praktijk optredende botsingen tussen de onderlinge regeling tot samenwerking tussen aandeelhouders en het oude BV-recht. Dit samenwerkingskarakter, de onderlinge afhankelijkheid van de aandeelhouders en de doelgebondenheid van de rechtsbetrekking maken dat persoongebonden BV’s intuitu personae worden aangegaan. Deze karaktertrek hebben zij gemeen met personenvennootschappen.

Voor een goed begrip van de verhouding tussen statutaire en contractuele afspraken zal ik in de volgende paragraaf allereerst stilstaan bij de vraag of in de statuten mag worden verwezen naar een aandeelhoudersovereenkomst.

2. De discussie over ‘incorporation by reference’

De discussie over ‘incorporation by reference’ is diffuus omdat hiermee door verschillende schrijvers verschillende concepten worden bedoeld. De vraag die in dit verband werd opgeworpen is of door een verwijzing in de statuten de inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst een ‘vennootschapsrechtelijk kader’ of ‘vennootschappelijke werking’ krijgt. De minister beantwoordde deze vraag als volgt:

‘Het verbod op incorporation by reference is erop gericht te voorkomen dat toekomstige aandeelhouders automatisch gebonden zouden worden aan regelingen die niet in de statuten zijn opgenomen en daardoor niet naar buiten toe kenbaar zijn. De voorgestelde wettelijke regeling staat er niet aan in de weg dat de statuten bepalen dat de niet-naleving van een aandeelhoudersovereenkomst wordt gesanctioneerd met de opschorting van aandeelhoudersrechten. De materiële inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst wordt daarmee nog geen onderdeel van het vennootschapsrechtelijke kader. Omdat toekomstige aandeelhouders niet automatisch zijn gebonden door de overeenkomst en de daaraan verbonden sancties, is het niet bezwaarlijk dat de aandeelhoudersovereenkomst niet in de statuten zelf staat en daardoor voor derden niet kenbaar is.’
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 6, p. 2 en p. 20.

Deze inderdaad niet geheel duidelijke passage heeft tot veel verwarring geleid.5Source 5:  Zie met name P.J. Dortmond, Ondernemingsrecht 2009, p. 33-34; Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, 13e druk (2013), bewerkt door P.J. Dortmond, p. 441; M. Cremers, Hoe flexibiliseer je een BV?, Ondernemingsrecht 2012, p. 613; E.G. Vorst, Aandeelhoudersovereenkomst of statuten: balanceren voor de praktijkjurist, WPNR 2013, p.451. Ik meen dat de minister hier slechts het volgende heeft bedoeld te zeggen:

  1. aan niet-naleving van een aandeelhoudersovereenkomst kunnen statutair sancties worden verbonden zoals opschorting van aandeelhoudersrechten of de plicht tot aanbieding van de aandelen
  2. de statutaire sancties gelden alleen voor de aandeelhouders die partij bij de overeenkomst zijn c.q. hun rechtsopvolgers die partij bij de overeenkomst worden;
  3. een opvolgend aandeelhouder is niet zonder meer, dat wil zeggen zonder uitdrukkelijk te zijn toegetreden, gebonden aan een aandeelhoudersovereenkomst waar in de statuten naar wordt verwezen.

Raaijmakers en Van der Sangen6Source 6: M.J.G.C. Raaijmakers en G.J.H. van der Sangen, De positie van de directeur-grootaandeelhouder in het nieuwe BV-recht, TvOB 2011-4, p.95. wijzen er in dit verband met recht op dat het streven van de wetgever om toekomstige aandeelhouders te beschermen geen doel treft bij toetreding tot een persoonsgebonden samenwerkingsverband waar van de toetreder immers verlangt mag worden dat hij onderzoek doet naar de modaliteiten van dat samenwerkingsverband alvorens toe te treden. Zo beschouwd heeft de statutaire verwijzing naar een aandeelhoudersovereenkomst zelfs meerwaarde omdat dit de toetreder wijst op het bestaan van een buitenstatutaire regeling die voor hem van belang is. In de parlementaire geschiedenis is ook de vraag aan de orde gekomen of in de statuten mag worden verwezen naar een prijsbepalingsregeling die in een aandeelhoudersovereenkomst is vastgelegd. De minister verklaarde hierover het volgende:

“Een prijsbepalingsregeling in een aandeelhoudersovereenkomst kan daarentegen niet door een verwijzing in de statuten vennootschapsrechtelijke werking verkrijgen. Het verbod op incorporation by reference staat hier wel aan in de weg, omdat het zou neerkomen op het toekennen van vennootschapsrechtelijke werking aan een inhoudelijke regeling die niet in de statuten is opgenomen. Toekomstige aandeelhouders kunnen dus niet automatisch worden gebonden aan een contractuele prijsbepalingsregeling waarnaar in de statuten wordt verwezen. De statuten kunnen weliswaar verwijzen naar een dergelijke regeling en aan de niet-nakoming sancties verbinden maar de prijsbepalingsregeling als zodanig – en derhalve ook de statutaire sancties – binden toekomstige aandeelhouders niet. Een dergelijke regeling heeft dus slechts werking tussen bestaande aandeelhouders.”
Kamerstukken II 2008-2009, 31 058, nr. 6, p. 1-2.

Uit dit citaat leid ik af dat er geen beletsel om in de statuten te verwijzen naar een prijsbepalingsregeling die door alle bestaande aandeelhouders buitenstatutair is afgesproken. In persoonsgebonden verhoudingen zullen (nieuwe) aandeelhouders in de regel eerst toetreden tot de aandeelhoudersovereenkomst om pas daarna aandelen te verwerven.7Source 7: Een effectief instrument om te bewerkstelligen dat contractuele regelingen (mede) de vennootschappelijke verhoudingen reguleren is het opnemen van een statutaire kwaliteitseis inhoudende dat het aandeelhouderschap uitsluitend openstaat voor personen die partij zijn bij een specifiek in de statuten omschreven aandeelhoudersovereenkomst. Een dergelijke statutaire kwaliteitseis heeft volgens de heersende opvatting goederenrechtelijke werking. De dogmatische verklaring van de goederenrechtelijke werking is mijns inziens hierin te vinden dat sprake is van een beperking van de overdraagbaarheid van de aandelen die voortvloeit uit een statutaire bepaling (de kwaliteitseis) en die bij overtreding leidt tot onoverdraagbaarheid van de aandelen (en derhalve ook tot een ongeldige overdracht). Anders:Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/407. Het gevaar dat aandeelhouders automatisch – louter door het verwerven van aandelen – gebonden worden aan contractuele regelingen die zij niet kennen is hier feitelijk niet aanwezig. Op grond hiervan is er mijns inziens geen bezwaar om in de statuten ook naar andere contractuele afspraken dan prijsbepalingsregelingen te verwijzen mits alle aandeelhouders partij zijn bij deze afspraken. De contractuele afspraken verkrijgen hierdoor echter niet hetzelfde rechtsgevolg als statutaire bepalingen.

In dit verband is het interessant om kennis te nemen van een recente rechtsontwikkeling in een ander deel van het Koninkrijk. Ik doel op de rechtsfiguur van de ‘vennootschappelijke overeenkomst’ die op 1 januari 2012 zijn intrede heeft gedaan in het Curaçaose NV- en BV-recht.8Source 8: Art. 2:127/227 lid 3 Curaçao BW. Zie voor een overzicht van de belangrijkste wijzigingen in het rechtspersonenrecht van Curaçao die per 1 januari 2012 zijn ingevoerd (waaronder dus ook de rechtsfiguur van de ‘vennootschappelijke overeenkomst’) B. Boersma en H. Sprenger, Ingrijpende herziening van het Curaçaose rechtspersonenrecht een feit, Ondernemingsrecht 2012, p. 685-692 en P. Van Schilfgaarde, Nederlands- Caribisch ondernemingsrecht in tijden van crisis in: Ondernemingsrecht in tijden van crisis, IvO reeks, deel 96 (2014) p. 4-9.

Deze vennootschappelijke overeenkomst is wettelijk gedefinieerd als een aandeelhoudersovereenkomst die aan de volgende, cumulatieve, eisen moet voldoen:

  • de overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd en aangeduid als ‘vennootschappelijke overeenkomst’;
  • de statuten bepalen dat de NV respectievelijk BV kan toetreden tot een vennootschappelijke overeenkomst;
  • alle aandeelhouders en de vennootschap zelf zijn partij bij de vennootschappelijke overeenkomst;
  • de statuten bepalen uitdrukkelijk dat geen aandelen aan toonder en schuldbrieven aan toonder kunnen worden afgegeven;
  • de vennootschappelijke overeenkomst wordt namens de vennootschap door iedere bestuurder (en iedere eventuele commissaris) ondertekend;

Het bestuur moet bovendien ten kantore van het handelsregister opgaaf doen van het bestaan van een vennootschappelijke overeenkomst, maar de overeenkomst zelf hoeft niet aldaar te worden neergelegd. De vennootschappelijke overeenkomst is dus géén openbaar document en de inhoud daarvan is dus voor derden niet kenbaar. Uitdrukkelijk is in de Curaçaose regeling opgenomen dat van bepalingen waarvan de wet afwijking in de statuten toestaat ook bij vennootschappelijke overeenkomst of in een reglement kan worden afgeweken (art 2 lid 3 Curaçao BW) en dat bepalingen in de vennootschappelijke overeenkomst hetzelfde rechtsgevolg hebben als statutaire bepalingen, voor zover niet anders uit de wet, de statuten of de vennootschappelijke overeenkomst zelf voortvloeit (art. 2:127/227 lid 4 Curaçao BW).

Zover zijn wij in Nederland nog niet maar de conceptuele benadering van de Curaçaose wetgever met betrekking tot de verhouding tussen statuten en de (vennootschappelijke) overeenkomst spreekt wel aan en toepassing ervan in joint venture- en andere persoonsgebonden verhoudingen zal zeker kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de BV-vorm. Mijn (tussen)conclusie is op deze plaats dat het de aandeelhouders van een persoonsgebonden BV vrijstaat om in de statuten te verwijzen naar contractuele verbintenissen die zij buiten de statuten om zijn aangegaan. De verbintenissen waarnaar wordt verwezen blijven evenwel contractueel van aard.

3. Afspraken over de aanbieding van aandelen

Maakt het voor de rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid van verbintenissen verschil of ze in statuten dan wel in een overeenkomst zijn vastgelegd? Aangezien er sinds de inwerkingtreding van het nieuwe BV-recht veel is veranderd zal bij de beantwoording van deze vraag ook kort aandacht worden besteed aan het oude BV-recht. Ik zal allereerst stilstaan bij regelingen inzake de aanbieding van aandelen. Het opnemen van een dergelijke regeling in statuten betekent per definitie dat de regeling openbaar wordt. De statuten moeten immers worden neergelegd ten kantore van het handelsregister. Het nieuwe BV-recht brengt hierin geen verandering. In de memorie van toelichting overweegt de minister dat de statuten zijn bedoeld voor afspraken die ook voor derden betekenis kunnen hebben en daarom voor hen kenbaar dienen te zijn.9Source 9: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 3-4 (MvT). Zie nader over de zogenaamde openbaarheidsfunctie van dwingend vennootschapsrecht R.G.J. Nowak, Rechtsgeldigheid en doorwerking van buitenstatutaire governance-afspraken, WPNR 2014, p.344-345. Op zich is dat een juiste constatering maar ook is duidelijk dat niet alles wat in statuten staat derden rechtstreeks regardeert. Van Veen wees er al eerder op dat veel van wat in statuten pleegt of kan worden opgenomen niet relevant is voor derden.10Source 10: W.J.M. van Veen, Boek 2 BW, statuten en aandeelhoudersovereenkomsten – Stand van zaken en blik vooruit, ZIFO reeks, deel 2 (2011), p.41.

3.1 Blokkeringsregelingen

Het prototype van een statutaire regeling op het gebied van aanbieding van aandelen is de clausule dat een aandeelhouder die zijn aandelen wil vervreemden deze eerst moet aanbieden aan zijn mede-aandeelhouders. Vanaf het ontstaan van de BV in 1971 schreef de wetgever dwingendrechtelijk voor dat de aandelen in de BV niet vrij overdraagbaar mochten zijn. De statuten van een BV moesten een blokkeringsregeling11Source 11: Ingevolge art. 2:195 BW (oud) waren er twee varianten: de goedkeuringsregeling waarbij een orgaan van de vennootschap de bevoegdheid tot het goedkeuren van een voorgenomen aandelenoverdracht werd toebedeeld (lid 4) en een aanbiedingsregeling waarbij werd voorgeschreven dat de aandeelhouders die een of meer aandelen wilde vervreemden deze eerst moest aanbieden aan zijn medeaandeelhouders (lid 5). bevatten. Deze blokkeringsregeling mocht echter niet tot gevolg hebben dat de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk werd.12Source 12: Art. 2:195 lid 8 BW (oud). Onder het oude recht is in de loop der tijd uitgebreid gediscussieerd over de mogelijkheden om in een aandeelhoudersovereenkomst afstand te doen van bepaalde bevoegdheden die uit de dwingendrechtelijk voorgeschreven blokkeringsregeling voortvloeiden. De kern van de discussie was de vraag of de contractuele disposities niet te zeer streden met het karakter van de destijds dwingendrechtelijk voorgeschreven blokkeringsregelingen die het besloten karakter van de BV moesten waarborgen. De Kluiver en Meinema 13Source 13:  H.J. de Kluiver en M. Meinema, Dwingend vennootschapsrecht na de Wet herziening preventief toezicht en de mogelijkheden van statutaire of contractuele afwijking en aanvulling, WPNR 2002, p. 651-653. wezen er in dit verband terecht op dat het gebruik van de term ‘afstand van recht’ in de zin dat door de afstand het recht of de bevoegdheid tenietgaat in wezen niet juist weergeeft waar het in deze overeenkomsten om draait. Het gaat namelijk te dezen om het afzien van de uitoefening van bevoegdheden. Het verschil is uiteraard wezenlijk: het contractueel afzien van de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid leidt niet tot het tenietgaan van diezelfde bevoegdheid zodat de wettelijke of statutaire bevoegdheidsverdeling onaangetast blijft.

In het nieuwe BV-recht is het, zoals bekend, niet langer dwingendrechtelijk voorgeschreven om in de statuten van een BV de overdraagbaarheid van aandelen te beperken. De aandeelhouders van een persoonsgebonden BV zullen er echter desondanks voor kiezen om de overdraagbaarheid van de aandelen te beperken. De vennootschap is immers intuitu personae aangegaan en haar aandeelhouders zijn in beginsel niet vervangbaar. Volgens de heersende opvatting is de overdracht van aandelen in strijd met een statutaire blokkeringsregeling ongeldig. Het effect van een statutaire blokkeringsregeling is zo sterk dat de overdracht in strijd daarmee niet tot stand komt. Men spreekt van de goederenrechtelijke werking die uitgaat van de statutaire blokkering van de overdracht van aandelen. Contractuele regelingen omtrent blokkering van aandelen ontberen overigens goederenrechtelijk effect: overdracht van aandelen in strijd met een contractuele blokkeringsregeling levert wanprestatie op maar de overdracht zelf is wel geldig.14Source 14: Ik laat hier verder buiten beschouwing dat het faillissement van een aandeelhouder een contractuele blokkeringsregeling kan doorkruisen.Zij hebben ‘slechts’ verbintenisrechtelijke werking.

De heersende opvatting lijkt thans te zijn dat een statutaire beperking de overdraagbaarheid van het aandeel in de zin van artikel 3:83 lid 3 BW beperkt. Er is sprake van een onoverdraagbaarheid indien in strijd met een statutaire blokkeringsregeling wordt gehandeld. De beperking is in deze visie dus een vermogensrechtelijk kenmerk van het aandeel zelf. Ik kan mij in deze opvatting – mede in het licht van het nieuwe artikel 2:195 lid 4 BW15Source 15:  Artikel 2:195 lid 4 BW spreekt over het ‘beperken van de overdraagbaarheid van aandelen bij de statuten’ en de ‘ongeldigheid van een overdracht’ die plaatsvindt in strijd met een dergelijke statutaire beperking. – goed vinden. Indien ervan uit wordt gegaan dat een statutaire blokkeringsregeling de vermogenrechtelijke kenmerken van het aandeel nader bepaalt heeft dit ook gevolgen voor de positie van derden. Immers, de derde-verkrijger van een aandeel dat in een vorige schakel werd ‘overgedragen’ zonder dat de blokkeringsregeling werd nageleefd wordt, wederom volgens de heersende opvatting, niet beschermd door art. 3:88 BW aangezien dat artikel nu eenmaal niet beschermt tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder als gevolg van de onoverdraagbaarheid van dat aandeel.16Source 16: Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/404 en de aldaar aangehaalde literatuur. Dit resultaat lijkt te billijken. In een vennootschap die intuitu personae is aangegaan is geen plaats voor bescherming van een derde-verkrijger van aandelen ten koste van de aandeelhouder die belang heeft bij de naleving van een statutaire blokkeringsregeling die in het kader van de vennootschappelijke samenwerking is overeengekomen.17Source 17: Art. 3:36 BW biedt mogelijk wel bescherming indien de derde-verkrijger op grond van verklaringen van de vennootschap of aandeelhouders erop mocht vertrouwen dat de blokkeringsregeling wel werd nageleefd. Nu de beslotenheid van de BV niet langer het wettelijke uitgangspunt is, is het interessant om te bezien of contractuele afwijkingen van statutaire regelingen omtrent blokkering van aandelen naar huidig recht rechtsgeldig en afdwingbaar zijn. Stel bijvoorbeeld het in de literatuur reeds besproken geval dat voor (vrijwillige) overdracht van aandelen statutair is voorgeschreven dat een aandeelhouder zijn aandelen eerst moet aanbieden aan zijn mede-aandeelhouders terwijl de aandeelhouders zich in afwijking daarvan contractueel hebben verbonden om bij overdracht een goedkeuringsregeling na te leven. Er is dan dus sprake van een discrepantie tussen de statutaire afspraken en de contractuele afspraken. Met Van Veen18Source 18: W.J.M. van Veen, Boek 2 BW, statuten en aandeelhoudersovereenkomsten – Stand van zaken en blik vooruit, ZIFO reeks, deel 2 (2011), p.32. Van Veen bespreekt overigens de omgekeerde situatie: een contractuele aanbiedingsregeling die afwijkt van een statutaire goedkeuringsregeling. meen ik dat in een dergelijk geval beide regelingen moeten worden nageleefd, de contractuele omdat de aandeelhouders dit nu eenmaal zijn overeengekomen en de statutaire omdat (vanwege de goederenrechtelijke werking daarvan) niet-naleving leidt tot ongeldigheid van de overdracht. Pregnant is ook de vraag wat rechtens is indien aandeelhouders in de statuten hebben gekozen voor een aanbiedingsregeling maar zich in een latere overeenkomst hebben verbonden om voor de toekomst af te zien van de uitoefening van de reflectierechten die voor hen uit deze statutaire bepalingen voortvloeien. Buiten twijfel staat dat er goede redenen kunnen zijn waarom aandeelhouders op een bepaald moment besluiten hun samenwerking te beëindigen en vrije overdracht van aandelen toe te staan. Naar huidige recht is het mogelijk om de statuten te wijzigen en de overdraagbaarheid van de aandelen niet langer aan beperkingen onderworpen te laten zijn. Maar kan een aandeelhouder die tot aanbieding van aandelen aan zijn mede-aandeelhouders verplicht is ook zonder statutair ingrijpen via de rechtsfiguur van het afzien van de uitoefening van reflectierechten door de laatstgenoemden van diens aanbiedingsplicht worden bevrijd? Dit komt feitelijk neer op de ontheffing van een aandeelhoudersverplichting door degenen die belang hebben bij de naleving van die verplichting. Aangezien in een dergelijk geval geen sprake is van een overdracht in strijd met de statutaire regeling, speelt de goederenrechtelijke werking van de statutaire blokkeringsregeling verder geen rol. Het is (evenals onder het oude recht) mogelijk in de statutaire regeling zelf op te nemen dat een aandeelhouder is ontheven van zijn aanbiedingsplicht indien alle aandeelhouders schriftelijk hebben verkaard af te zien van de uitoefening van hun reflectierechten. Mijns inziens kan in persoonsgebonden verhoudingen het afzien van de uitoefening van de reflectierechten ook rechtsgeldig plaatsvinden in een overeenkomst (waarbij alle aandeelhouders partij zijn) of in een (unamiem) besluit, zelfs zonder statutaire grondslag. Het gaat hier immers om wilsovereenstemming van de gezamenlijke aandeelhouders met betrekking tot de uitoefening van hun vennootschapsrechtelijke rechten en bevoegdheden19Source 19: In gelijke zin: W.J.M. van Veen, Boek 2 BW, statuten en aandeelhoudersovereenkomsten – Stand van zaken en blik vooruit, ZIFO reeks, deel 2 (2011), p.17  en daarbij past in mijn visie de vrijheid om deze wilsovereenstemming vast te leggen in een overeenkomst of besluit in plaats van in de statuten.

3.2 Statutaire verbintenissen tot aanbieding en overname van aandelen

Het oude recht begrensde de mogelijkheden om extra verplichtingen aan aandeelhouders op te leggen door in artikel 2:192 BW (oud) te bepalen dat aan een aandeelhouder niet tegen zijn wil enige verplichting boven de storting tot het nominale bedrag van het aandeel kan worden opgelegd. In de literatuur bestond discussie over de uitleg van deze bepaling. Met name de aanvaardbaarheid van statutaire bepalingen waarin verplichtingen tussen aandeelhouders onderling of jegens derden aan het aandeelhouderschap worden verbonden was omstreden. 20Source 20: G.J.C. Rensen, Extra verplichtingen van leden en aandeelhouders (diss, Nijmegen) deel 83.(2005), p.115-118.

Deze discussies kunnen wij thans achter ons laten want volgens het nieuwe artikel 2:192 lid 1 sub a BW kunnen de statuten bepalen dat ‘verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard’ jegens de vennootschap of tussen aandeelhouders onderling aan het aandeelhouderschap zijn verbonden. Met deze nieuwe term wordt aangegeven dat de statuten ook verbintenissen kunnen omvatten waarvan onder de oude wet wel werd aangenomen dat deze uitsluitend in contractuele regelingen konden worden vastgelegd. In de parlementaire geschiedenis wordt erop gewezen dat een statutaire verbintenis tussen aandeelhouders een vennootschapsrechtelijk karakter heeft en daarom moet worden onderscheiden van een ‘gewone’ contractuele verbintenis.21Source 21: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 16. Dit vennootschappelijke karakter van statutaire verbintenissen komt volgens de minister tot uitdrukking in het feit dat degene die als aandeelhouder tot een vennootschap toetreedt zich daardoor tevens onderwerpt aan de in de statuten neergelegde verplichtingen terwijl de aandeelhouder slechts aan een overeenkomst gebonden is indien de bepalingen daarvan door hem zijn aanvaard. In het algemeen moge dit betoog van de minister juist zijn, voor een persoonsgebonden BV heeft een en ander weinig praktische betekenis. Indien immers alle aandeelhouders zich tevoren of gelijktijdig met het verkrijgen van de aandelen hebben onderworpen aan de bepalingen van een aandeelhoudersovereenkomst, lopen statuten en overeenkomst parallel. Voor hen is er in wezen geen verschil tussen het opnemen van deze verbintenissen in de statuten of in een overeenkomst. Ook de wettelijke eis dat statutaire verbintenissen ‘niet tegen de wil van de aandeelhouder’ kunnen worden opgelegd22Source 22: Art 192 lid 1 slotzin BW. duidt erop dat deze verbintenissen een contractueel karakter hebben.23Source 23: W.J.M. van Veen, Over het aandeelhouderschap en statutaire verplichtingen, WPNR 2003, p. 138.

Laten wij thans de statutaire verbintenissen tot aanbieding en overname van aandelen aan een nader onderzoek onderwerpen.

3.2.1 Gedwongen aanbieding van aandelen

Volgens artikel 2:192 lid 1 sub c BW kunnen de statuten met betrekking tot alle aandelen of aandelen van een bepaalde soort of aanduiding bepalen dat een aandeelhouder in bepaalde gevallen gehouden is zijn aandelen of een deel daarvan aan te bieden en over te dragen. Deze gedwongen aanbieding van aandelen kan echter ook moeiteloos onder de werkingssfeer van het nieuwe artikel 2:192 lid 1 sub a BW worden gebracht.24Source 24: In gelijke zin: J.A.M. ten Berg, De samenwerking van aandeelhouders ten einde, WPNR 2014, p. 363. In de praktijk veel voorkomende statutaire clausules waren en zijn verplichtingen tot aanbieding ingeval niet langer werd voldaan aan de statutaire vereisten voor het aandeelhouderschap, in geval van faillissement of de surseance van betaling van een aandeelhouder en in geval van overlijden van een aandeelhouder. Twistappel onder het oude recht was de vraag of een statutaire regeling inhoudende dat een aandeelhouder bij besluit van een vennootschapsorgaan tot aanbieding en overdracht van zijn aandelen verplicht kon worden geldig was. Tegenstanders argumenteerden dat dit niet zou zijn toegestaan omdat het machtsevenwicht binnen de vennootschap daardoor te zeer verstoord zou raken25Source 25: J.D.M. Schoonbrood in: Bosse e.a., KNB Preadvies 2002, p. 77 terwijl voorstanders de toelaatbaarheid bepleiten van een regeling die inhoudt dat de algemene vergadering de aanbiedings- en overdrachtverplichting kan inroepen indien alle aandeelhouders daarmee hebben ingestemd en de regeling voldoende duidelijk is omschreven.26Source 26: W. Westbroek en A.A. Schulting, Commentaar Departementale Richtlijnen 1986, § 24, aantekening 3 en P. van Schilfgaarde, ‘Statuten zonder bezwaar’ WPNR 2002, p. 644-645.

Ik zou menen dat onder het nieuwe BV-recht in statuten vrijelijk bepalingen kunnen worden opgenomen die inhouden dat aandeelhouders in bepaalde, vooraf overeengekomen, gevallen hun aandelen tegen een bepaalde prijs aan andere aandeelhouders of derden moeten aanbieden en overdragen.27Source 27: E.G. Vorst, Aandeelhoudersovereenkomst of statuten: balanceren voor de praktijkjurist, WPNR 2013, p.455 wees er terecht op dat statutaire aanbiedings- en overdrachtsverplichtingen in beginsel geen goederenrechtelijke werking hebben. Het is naar mijn mening echter wel mogelijk om goederenrechtelijke werking aan dit soort verplichtingen toe te kennen in zoverre dat in de statuten met zoveel woorden kan worden bepaald dat de overdracht van de aandelen aan een ander dan degene(n) aan wie aanbieding en overdracht dient plaats te vinden ongeldig is. Hier is een parallel te trekken met de goederenrechtelijke werking van statutaire kwaliteitseisen (zie noot 9). Vgl. de goederenrechtelijke dan wel verbintenisrechtelijke werking van cessieverboden waarover recent HR 21 maart 2014 in Coface Finanz/Intergamma (ECLI:NL:HR:2014:682). Een mooi voorbeeld van een dergelijke bepaling is de drag along bepaling: het geeft de meerderheidsaandeelhouders het recht om bij een welgevallig overnamebod de minderheidsaandeelhouders te verplichten om hun aandelen aan te bieden en over te dragen aan degene die het overnamebod doet. Het eindresultaat is dat de verkopende meerderheidsaandeelhouders kunnen bewerkstelligen dat alle geplaatste aandelen aan de door hem geselecteerde overnemer worden overgedragen waarmee het realiseren van betere verkoopcondities voor alle aandeelhouders wordt beoogd.28Source 28: Een drag along wordt in praktijk dikwijls gecombineerd met een tag along bepaling inhoudende het recht van een minderheidsaandeelhouder om van een verkopende meerderheidsaandeelhouder te verlangen dat in het geval die meerderheidsaandeelhouders zijn aandelen aan een derde wenst te verkopen, hij tevens de aandelen van de minderheidsaandeelhouder in de verkooponderhandelingen moet betrekken zodat zowel de aandelen van de verkopende meerderheidsaandeelhouder als de aandelen van de minderheidsaandeelhouder worden verkocht tegen dezelfde condities. Het is staande praktijk om drag along bepalingen op te nemen in een aandeelhoudersovereenkomst waarbij naast de meerderheidsaandeelhouder(s) ook de overige aandeelhouders partij zijn. Voor deze contractuele verbintenissen geldt ingevolge art. 6:227 BW dat ze ‘bepaalbaar’ moeten zijn. De parlementaire geschiedenis houdt ons echter met betrekking tot statutaire drag along verplichtingen voor dat deze ‘objectief’ bepaalbaar moet zijn. Daaraan wordt nog toegevoegd dat het niet mogelijk is dat de aanbiedingsverplichting uitsluitend afhankelijk is van de wil van de vennootschap of een medeaandeelhouder.29Source 29: Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 13.Het wordt uit de parlementaire geschiedenis niet duidelijk wat de term ‘objectief bepaalbaar’ precies inhoudt. Elders spreekt de minister over ‘voldoende bepaalbaar’.30Source 30: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 44 en p. 54 (MvT). Ik zou menen dat het bepaalde in art. 6:227 BW hier rechtstreeks van toepassing is en dat dus mag worden uitgegaan van het vereiste van bepaalbaarheid.31Source 31: A-G Timmerman concludeert bij het Ramsley-arrest (HR 23 oktober 2009, JOR 2010/4) handelend over de rechtsgeldigheid van een van de statutaire prijsbepalingsregeling afwijkende contractuele regeling als volgt: “Daarbij komt nog dat ik van mening ben dat (…) een daarvan (van de statuten, toev TvD) afwijkende contractuele prijsbepalingsregeling in een aandeelhoudersovereenkomst rechtsgeldig is op voorwaarde dat de regeling duidelijk concreet omschreven is en voor de betrokken contracterende aandeelhouders voorzienbare gevallen betreft.” Mijns inziens beoogt de A-G hier niet aan te sluiten bij het ministeriele vereiste van de objectieve bepaalbaarheid en geeft hij evenmin een nieuw criterium. Ik meen derhalve dat de A-G hier geen ander criterium voor ogen stond dan dat van bepaalbaarheid. Ik ga in paragraaf 3.2.3 nader in op de rechtsgeldigheid van contractuele prijsbepalingsafspraken die aandeelhouders maken in afwijking van de statutaire bepalingen daaromtrent. De gedachte dat aanbieding niet afhankelijk mag zijn van de wil van de vennootschap of een medeaandeelhouder spreekt mij niet aan in de situatie waarin alle aandeelhouders met een dergelijke regeling hebben ingestemd. Gezien het obligatoire karakter van deze regelingen zie ik niet in waarom voor statutaire bepalingen andere, kennelijk zwaardere, eisen zouden moeten gelden dan voor contractuele bepalingen. De test behoort mijns inziens voor beide varianten dezelfde te zijn. Zo is er binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid 32Source 32: Chr. M. Stokkermans en G.J.C. Rensen, Invoering flex-BV, Een nieuw statutair speelveld, TOP 2012/2, p.71 geven (weliswaar in een ander verband) de nuttige richtsnoer dat sprake moet zijn van een arm’s length verkooptransactie waarbij de belangen van de meerderheidsaandeelhouders en de minderheidsaandeelhouders niet geconflicteerd zijn. Men denke voor wat betreft voor wat betreft dit laatste punt bijvoorbeeld aan het moment waarop de verkooptransactie plaatsvindt. Indien een statutaire drag alongregeling in een concreet geval onredelijk uitpakt kan dit mijns inziens tot gevolg hebben dat de regeling geen toepassing vindt op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 2 BW. naar mijn mening onder het nieuwe BV-recht ook geen bezwaar tegen een statutaire drag-along regeling waarin is bepaald dat een vennootschapsorgaan bij besluit de overdracht van aandelen kan afroepen (of dat de vennootschap of een mede-aandeelhouder dat mag doen) mits de voorwaarde(n) waaronder dat kan plaatsvinden voldoende bepaalbaar zijn.33Source 33: Anders G.M. Portier, Statutaire aanbiedingsverplichtingen en prijsbepalingsregelingen, TOP 2013/6, p. 227.

Uit hoofde van het nieuwe artikel 2:192 lid 2 BW kan het tijdstip van inwerkingtreding van statutaire verplichtingen als bedoeld in lid 1 sub a en c van datzelfde artikel afhankelijk zijn van een besluit van de algemene vergadering (of een ander daartoe in de statuten aangewezen orgaan van de vennootschap). Ook mag worden bepaald dat een daartoe in de statuten aangewezen vennootschapsorgaan ontheffing kan verlenen van een dergelijke statutaire verplichting. Betekent dit nu dat over de ontheffing van dergelijke statutaire verplichtingen niet kan worden gecontracteerd of dat contractuele ontheffing door alle aandeelhouders zonder statutaire grondslag niet mogelijk is ? Ik zou menen dat hiertegen geen bezwaar is. Ook hier wil ik het standpunt innemen dat de wilsovereenstemming van alle aandeelhouders doorslaggevend is indien het gaat om de uitoefening van hun vennootschapsrechtelijke rechten en bevoegdheden.

3.2.2 Gedwongen overname van aandelen

De overdraagbaarheid van aandelen houdt rechtstreeks verband met het privaatrechtelijke beginsel dat men een rechtsverhouding die is aangegaan voor onbepaalde tijd ook weer moet kunnen beëindigen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid behoort een aandeelhouder een uittreedmogelijkheid te worden geboden. Als men redeneert vanuit de continuïteit van de vennootschap zijn er maar beperkte mogelijkheden: de positie van de uittredende aandeelhouder wordt overgenomen door (i) één of meer van de overige aandeelhouders (ii) de vennootschap of (iii) een derde. Meestal wordt gekozen voor opvolging van de uittreder door diens medeaandeelhouders die dan de verplichting op zich nemen om de aandelen van de uittreder te kopen en over te nemen, met dien verstande dat indien één of meer van hen niet aan deze overnameverplichting kan voldoen, de vennootschap verplicht is de resterende aandelen in te kopen (met inachtneming van de wettelijke inkoopregels).

Onder het oude recht was het vanwege de modaliteiten van de dwingendrechtelijk voorgeschreven blokkeringsregeling omstreden of het mogelijk is om een dergelijke overnameplicht statutair vorm te geven.34Source 34: Zie G.J.C. Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders (diss. Nijmegen) Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 83 (2005), p. 242-246 en de aldaar aangehaalde literatuurHet was daarom zekerheidshalve staande praktijk om dit soort verplichtingen in een aandeelhoudersovereenkomst vast te leggen. Een statutaire overnameverplichting valt thans echter zonder meer binnen het bereik van de statutaire verbintenissen van artikel 2:192 lid 1 sub a BW. Kan een statutaire overnameverplichting vervolgens worden gewijzigd in een buitenstatutaire regeling? Ik zie hier geen principiële bezwaren aangezien zowel een statutaire als een contractuele overnameverplichting verbintenissen scheppen de aandeelhouders. Wilsovereenstemming van alle aandeelhouders is wederom maatgevend en de vorm waarin de wilsovereenstemming wordt vastgelegd – in de statuten, in een overeenkomst of bij besluit – staat dan mijns inziens ter vrije keuze van de aandeelhouders.

3.2.3 Prijsbepalingsafspraken bij overdracht of overname van aandelen

Voor de invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht voorzag de wet in de waarborg dat de uittredende aandeelhouder recht had op een koopprijs die gelijk was aan de waarde van de over te dragen aandelen, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen.35Source 35: Art. 2:195 lid 6 BW (oud). Onder het oude recht was het een belangrijke vraag of dit recht van de uittredende aandeelhouder een ‘onvervreemdbaar’ recht was. Bij het tot stand komen van de wettelijke regeling in 1928 had de toenmalige minister Donner dit onvervreemdbaarheidsprincipe immers met verve verdedigd in de Eerste Kamer.36Source 36: Handelingen I 1927/28, p. 929. In de praktijk werd echter veelvuldig in aandeelhoudersovereenkomsten afgeweken van de als knellend ervaren prijsbepalingsregels van de wettelijke blokkeringsregeling. Een mooi voorbeeld hiervan gaf Den Boogert tijdens het in 1991 te Groningen gehouden IVO-congres. Hij noemde de contractuele afspraken die de aandeelhouders van een joint venture-BV hebben gemaakt over de waardering van projecten tot exploitatie van de mogelijkheden tot gas- en oliewinning op de Noordzee bij tussentijds uittreden van een van de partners. De kans dat een rechter dergelijke contractuele regelingen terzijde zou stellen achtte hij niet groot. Het Ramsley-arrest37Source 37: Hof ‘s Gravenhage, 7 augustus 2008, JOR 2008/262 en HR 23 oktober 2009, JOR 2010/4. heeft aangetoond dat Den Boogert het gelijk aan zijn zijde had.

Sindsdien werd ook al onder het oude recht in de lagere rechtspraak erkend dat aandeelhouders in vergaande mate hun vennootschapsrechtelijke verhouding in een overeenkomst (in plaats van in de statuten) kunnen regelen. Een voorbeeld hiervan is een uitspraak van de Rechtbank Haarlem in de zaak Jeezet.38Source 38: Rb. Haarlem 15 december 2010, JOR 2011/281 m. nt. J.M. Blanco Fernández (Jeezet). Het draaide in deze casus om drie aandeelhouders van een BV die een aandeelhoudersovereenkomst hadden gesloten waarin door partijen een formule was overeengekomen voor de waardering van de aandelen in geval van verplichte aanbieding door een aandeelhouder. De rechtbank nam als uitgangspunt dat het partijen vrij staat om elkaar contractueel te verbinden tot een bepaalde waardevaststelling van de aandelen, zulks in aanvulling op de dwingendrechtelijke regeling in de wet over waardebepaling door onafhankelijke deskundigen. Maar, zo voegt de rechtbank daaraan toe, er kunnen omstandigheden zijn waarin de strekking van de wettelijke en statutaire bepalingen omtrent waardering van de aandelen in een concreet geval met zich brengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om een aandeelhouder gebonden te achten aan de uitkomst van een formule over waardebepaling in een aandeelhoudersovereenkomst. Het ging hier dus in essentie om een toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. In casu was er gerede grond om te twijfelen aan de objectiviteit van degene die de waardebepaling had uitgevoerd en de rechtbank oordeelde daarom dat een nieuwe waardering moest worden uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige, zij het op grond van de in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen formule.

Onder het nieuwe BV-recht is het mogelijk om allerlei afwijkende prijsbepalingsregels overeen te komen en in de statuten vast te leggen. Indien voldaan wordt aan de regel dat deze niet tegen de wil van de aandeelhouder worden opgelegd39Source 39: Art. 2:195 lid 4, laatste zin, BW.heeft de wetgever geen bezwaar tegen alternatieve statutaire prijsbepalingsmechanismen voor zover deze binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid blijven.40Source 40: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr.3, p.52 (MvT). Voor deze prijsbepalingsregels van eigen makelij geldt dus niet de eis dat zij ertoe moeten strekken om de werkelijke waarde van de aandelen te bepalen.41Source 41: Zie ook P.P. de Vries, ‘Prijsbepalingsregels voor aandelen in een BV naar huidig en komend recht’, Ondernemingsrecht 2012, 19, p. 105 en ‘Statuten en incorporation by reference’ WPNR 2014 p. 355.Ik zou willen aannemen dat overigens ten aanzien van een statutaire prijsbepalingsregel – net zoals voor een contractuele prijsbepalingsregel – niet meer geldt dan dat deze bepaalbaar moet zijn. Zowel contractuele als statutaire prijsbepalingafspraken hebben de strekking om aan de hand van tevoren overeengekomen parameters te komen tot de bepaling van de prijs voor de over te dragen aandelen. Deze contractuele en statutaire voorschriften vormen een obligatoire rechtsverhouding op grond waarvan partijen zelf, al dan niet met behulp van door hen ingeschakelde deskundigen, de prijs voor de over te dragen aandelen vaststellen. Het staat derhalve de aandeelhouders vrij om door hen eerder statutair overeengekomen prijsbepalingsvoorschriften later, in een overeenkomst of bij besluit aan te passen en daarbij een redelijke prijs vast te stellen die hoger of lager mag zijn dan de werkelijke waarde van de aandelen.

4. Uitleg van statutaire bepalingen met een verbintenisrechtelijk karakter

Tot slot wil ik graag een korte beschouwing wijden aan de uitleg van statutaire verbintenissen. In de klassieke opvatting van de institutionele theorie wordt de status van statuten doorgaans omschreven als ‘het eigen, niet contractuele rechtsregime van de vennootschap als rechtspersoon, waaraan de oprichters, de later toetredende aandeelhouders en ook de vennootschap zelf zijn gebonden.’ 42Source 42: Asser-Maeijer 2000 (2- III*), nr. 65. Hieruit wordt afgeleid dat de statuten een objectiefrechtelijk karakter hebben. Het kenmerk van objectiefrechtelijke bepalingen is immers dat zij, net zoals wettelijke bepalingen, geldend zijn voor de betrokken rechtsgenoten, ongeacht de vraag of deze rechtsgenoten deze bepalingen hebben aanvaard. Ter staving van het objectiefrechtelijke karakter van statuten wordt in de literatuur beargumenteerd dat de statuten niet alleen rechten en verplichtingen in het leven roepen voor degenen die de statuten vaststelden, maar ook ten aanzien van degenen die later tot de vennootschap toetreden. 43Source 43: Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer (2-II*), Handleiding tot beoefening van het Nederlands burgerlijk recht 2. Vertegenwoordiging en Rechtspersoon. Deel II. De Rechtspersoon, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink (1997), nr. 36. Een aanvullend argument is dat degene die toetreedt tot een vennootschap zich niet slechts onderwerpt aan de bestaande regels maar ook aan eventuele toekomstige wijzigingen daarvan.

Op de visie dat statuten een objectiefrechtelijk karakter hebben kan het een en ander worden afgedongen. In de situatie dat de aandeelhouders de inhoud van hun samenwerkingsafspraken uitonderhandelen en zij specifiek op hun samenwerking toegespitste bepalingen opnemen in overeenkomst en statuten, kan slecht gesproken worden van statutaire regelingen met een objectiefrechtelijk karakter. Het staat bovendien een ieder vrij wel of niet toe te treden tot een vennootschap. Indien men de rechten en verplichtingen in de statuten niet wenst te aanvaarden zal geen toetreding tot de vennootschap plaatsvinden terwijl deze toetreding wel zal volgen indien de statutaire rechten en verplichtingen worden aanvaard. In zoverre is er geen principieel verschil met het niet al dan niet aanvaarden van contractuele rechten en verplichtingen. Deze constateringen zijn naar mijn mening ook van invloed op de uitlegmethode van statutaire verbintenissen.44Source 44: Pitlo-Raaijmakers (2000) p. 69 wees reeds vroeg op het gebrek aan nuance bij de uitleg van statutaire bepalingen. Zie ook Pitlo-Raaijmakers (2006) p. 235-237.

In het Nederlandse recht geldt dat de bedoeling van partijen het uitgangspunt is bij de uitleg van overeenkomsten. Indien de letterlijke tekst van de overeenkomst niet strookt met de bedoeling van partijen dan prevaleert in beginsel de bedoeling boven de letter. Het Haviltex-arrest uit 1981 geldt nog steeds als het standaardarrest voor deze materie. De Hoge Raad besliste dat het bij contractsuitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de contractuele bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (hierna: de Haviltex-norm). In 1993 oordeelde de Hoge Raad dat bij de uitleg van de CAO-bepalingen in beginsel moet worden uitgegaan van de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst.45Source 45: HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 m.nt. PAS (Gerritse/Hydro Agri Sluiskil). Het duurde tot 2004 voordat de Hoge Raad duidelijk kon maken dat tussen de Haviltex-norm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat maar sprake is van een glijdende schaal. Uit DSM-Chemie/Fox46Source 46: HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493, m.nt. C.E. du Perron.kan immers worden geconcludeerd dat indien de overeenkomst bestemd is om de rechtspositie van derden te beïnvloeden de glijdende schaal meer neigt naar de letterlijke tekst van de overeenkomst. Hebben partijen echter invloed gehad op de totstandkoming en inhoud van de overeenkomst terwijl het derdenbelang ontbreekt dan ligt de nadruk meer op de partijbedoeling. Naar aanleiding van HR 19 januari 2007, NJ 2007/575 (Meyer Europe/PontMeyer) en HR 29 juni 2007, NJ 2007/567 (Derksen/Homburg) leek het er even op dat de Hoge Raad een nieuwe rechtsregel had geïntroduceerd inhoudende dat bij de uitleg van commerciële contracten tussen professionele partijen die zich bij het opstellen van het contract door juridische adviseurs hebben laten bijstaan, als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen van het contract. Recent heeft de Hoge Raad echter duidelijk gemaakt dat ook indien het gaat om de uitleg van commerciële contracten de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Ik doel op LundiForm/Mexx947Source 47: HR 5 april 2013, NJ 2013, 214 (Lundiform/Mexx) waarin de uitleg van een entire agreement clause luidende “This Agreement constitutes the entire agreement made between the parties and supersedes any earlier written or oral arrangements or agreements made between the parties” centraal stond. De Hoge Raad besliste onder meer dat desondanks toezeggingen die vóór het het sluiten van het contract zijn gedaan van betekenis kunnen zijn en ook dat afspraken tussen partijen over andere onderwerpen bestaanbaar zijn.waarin het hof vasthield aan de contracttekst en daarbij het bewijsaanbod dat een andere betekenis aan de bepalingen moest worden gehecht passeerde. De Hoge Raad casseerde omdat ook ingeval bij uitleg aan de taalkundige betekenis groot gewicht moet worden toegekend de Haviltex-norm beslissend is.

Ik zou menen dat de Haviltex-norm ook kan worden gebruikt bij de uitleg van statutaire verbintenissen. In de inner circle van de vennootschap is geen behoefte aan objectieve uitleg tenzij de belangen van derden of het handelsverkeer een striktere uitlegmethode vereisen. Dit laatste zal bij een vennootschap die intuitu personae is aangegaan niet vaak voorkomen. De in de doctrine48Source 48: Zie bijvoorbeeld Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013 (2-IIa*), nr. 260, p. 297-298. aangenomen strikte uitleg van statuten behoort mijns inziens geen belemmering te vormen voor de vrije uitleg van statutaire regelingen met een verbintenisrechtelijk karakter. Ik zou zelfs menen dat de grens nog breder kan worden getrokken. Het ligt in het algemeen voor de hand om bij de uitleg van statutaire bepalingen groot gewicht toe te kennen aan de betekenis van de daarmee corresponderende bepalingen die in een aandeelhoudersovereenkomst zijn opgenomen. Ik teken hierbij direct aan dat – binnen de kaders van de Haviltex-norm – aan de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen eveneens (groot) gewicht kan toekomen, met name in de gevallen waarin aandeelhoudersovereenkomst en statuten door partijen zijn uitonderhandeld met behulp van juridische adviseurs. 49Source 49: Hof Arnhem-Leeuwarden, 11 maart 2014, ECLI: NL: GHARL:2014:2006, r.o.5.2.Zoals gezegd benadrukt de Hoge Raad dat op dit terrein geen sprake is van scherpe tegenstellingen.

Now reading: Rechtsgeldigheid en doorwerking van afspraken over aandelenoverdracht in een persoonsgebonden BV Back to overview